#4: pech in gastvrij Albanië en een pot augurken

geplaatst door Nathalie Hoogeveen op 28 mei 2022 om 18:07

‘Nath, kom eens kijken. Dit is niet goed…’ 

We staan onder een afdakje langs een Albanese bergweg vol gaten, tussen de bierkratten. Anton zou even wat spaken spannen, want er zat een slag in mijn achterwiel. Inderdaad, hetzelfde wiel dat we in de eerste maand al twee keer naar de fietsenmaker hadden gebracht. Dit keer is er echt iets goed mis: er zitten allemaal barsten in de velg. Levensgevaarlijk om mee verder te fietsen.

Met een kapotte fiets langs een verlaten weg staan in Albanië; dat stond vooraf zeker in mijn topdrie van ergste dingen die er zouden kunnen gebeuren op reis, na aangereden worden door een truck en gebeten worden door een hond.

Toch lukt het ons op dat moment wonderbaarlijk genoeg om rustig te blijven en al snel bedenken we een plan. We hadden nog geen uur geleden afscheid genomen van een vriendelijke familie in Peshkopi, waarbij we in de wijngaard hadden gekampeerd. De dochter sprak goed Engels, misschien zou zij ons kunnen helpen om in Tirana te komen – de enige plek in Albanië waar misschien een goede fietsenmaker zou kunnen zijn, denken we. Heel voorzichtig rijden we de 17 kilometer over de hobbelweg terug naar de camping.

Reddende engelen

Wanneer de moeder van de familie ons ziet aankomen en verbaasd met open armen op ons afloopt, schiet ik opeens vol. Troostend slaat ze een arm om me heen, niet begrijpend wat er aan de hand is. De dochter is niet thuis, maar de lieve vrouw trommelt haar zoon op. Hij kijkt naar mijn velg, zucht een paar keer diep en begint dan te bellen, appen en foto’s te maken. 

Ook deze lieve man spreekt geen Engels, maar na een uur waarin Anton en ik elkaar vooral wanhopig aankijken, krijg ik zijn telefoon in mijn handen gedrukt. Zijn zus fungeert via een videoverbinding als tolk en wat blijkt: er is een fietsenmaker in Tirana die een velg of een wiel voor ons heeft. Welke van de twee ze bedoelt wordt niet helemaal duidelijk, maar we hopen maar dat dit een oplossing is. Veel anders kunnen we ook niet: we moeten vertrouwen op deze enorm vriendelijke mensen die ons willen helpen. 

De man brengt ons met zijn auto weg naar het busstation, waar hij iets met de chauffeur bespreekt. Alles gaat in het Albanees, dus veel begrijpen we er niet van. We krijgen een telefoonnummer dat we moeten bellen als we er zijn, denken we. Dankbaar nemen we afscheid van onze reddende engel.

Na een hobbelig ritje van bijna vier uur komen we in de hoofdstad aan, waar de chauffeur ons er in een drukke buitenwijk uitgooit. Hij vraagt voor de busreis bijna het dubbele van de prijs die ons beloofd was en gebaart vaag naar een bord. We begrijpen niet wat hij bedoelt. En nu? De moed zakt me opeens weer in mijn schoenen. Totdat we het nummer bellen dat we hadden gekregen: ‘Ik ben er met een kwartiertje, no worries’, klinkt het aan de andere kant van de lijn. Blijkbaar stonden we toch op de afgesproken plek. Even later komt er een jongen aangefietst met een extra fiets, zodat we mijn kapotte fiets mee kunnen trekken. 

Na een avontuurlijke toer door de hoofdstad, waarbij ik vol afgrijzen naar mijn enorm zwabberende wiel kijk, komen we aan bij de fietsenzaak, die er gelukkig professioneel uitziet. En ze hebben een wiel dat past in mijn fiets! Voor honderd euro kan ik hem kopen, als we mijn oude wiel achterlaten. Gelukkig waren we al niet van plan om dat ellendige ding de hele Balkan door te slepen, dus dat scheelt. Enorm opgelucht drinken we nog een biertje met de eigenaar van de winkel. Opnieuw kwam alles goed.

Naast het gedoe met mijn wiel hebben we vooral genoten in Albanië. In totaal fietsten we bijna twee weken door het land. We namen de boot van het drukke, toeristische Corfu naar Sarandë en belandden daar in een heel andere wereld. Opeens toeterden vrijwel alle automobilisten naar ons. Niet uit frustratie, maar om ons aan te moedigen. ‘Welcome to Albania!’, riep een man vanaf de kant van de weg, vlak voordat we werden achtervolgd door een groep zwerfhonden (ook dat kwam goed, al heb ik sindsdien wel een stok op mijn fiets gebonden).

Vooral de gastvrijheid van de mensen zullen we niet snel vergeten. Zo was er Julian, de fietsgids die alles wilde weten over ons avontuur en enthousiast filmde hoe we water kookten voor couscous op onze alcoholbrander. Even later kwam hij aanzetten met vers gevangen forel, lamsvlees en twee glazen rode wijn voor bij ons diner.

Of het familierestaurant in Gjirokastër waar we naar binnen werden gelokt met gehaktballen, cake en zelfgebrouwen alcohol: we mochten niet vertrekken zonder een fotoshoot met moeder en haar versgebakken spinazietaarten en gevulde paprika’s.
Toen we een keer met onze oververhitte hoofden water voor in onze bidons gingen vragen bij een huis langs de weg, werd ons lachend ook nog koffie én raki aangeboden.

Ook op de fiets genoten we van het veelzijdige land. We reden door ruige berglandschappen, langs een azuurblauwe rivier en kampeerden in het wild bij een hot spring en op een klif, tussen de verlaten bunkers. Die zie je overal, trouwens: een overblijfsel van het communisme onder Enver Hoxha in Albanië. Er staan er zo’n 700.000 in totaal.

In Tirana bleven we nog drie dagen. De eerste dag omdat we even moesten bijkomen van de stress met mijn wiel. De tweede omdat we het een erg leuke stad vonden. En de derde omdat ik waarschijnlijk iets verkeerds gegeten had en elk kwartier naar het toilet moest; fietsen is dan niet erg handig. We verbleven in een goedkoop hostel in de stad, waar we elke avond onder het genot van een lichte wietlucht in slaap vielen. Al na twee dagen wilde ik daar heel graag weg; terug naar de rust en de natuur.

Op dag vier ging het gelukkig wat beter met mijn buik. We fietsten snel de stad uit naar de kust en vonden na een uur zoeken een mooie plek voor onze tent. Dat de enige supermarkt die we die dag tegenkwamen geen avondeten verkocht, maakte niet uit. Met een zak chips, een pot augurken en de zonsondergang was ik meer dan gelukkig.

hongerklop.cc . Alle rechten voorbehouden.